Login

Recensies

De Mensen in de Films van Hans Heijnen door Bas Blokker

Boek DVD Box Hans Heijnen in Focus 2010 over

Hoepel toch op met je gewone mensen. De plaag van de 21ste eeuw, dat zijn ze. Op radio, televisie en internet worden elke dag erediensten gehouden voor de gewone man, waarbij andere gewone mensen zitten te joelen en te gieren op de tribune.

In het radioprogramma ‘Stand.nl’ hebben gewone luisteraars de plaats van deskundigen ingenomen. Met ‘Idols’, ‘Holland’s Got Talent’ en ‘So You Think You Can Dance’ hebben de tv-studio’s ontdekt dat huiskamerartiesten net zo populair kunnen worden als grote sterren. En op YouTube heeft de gewone man zelfs geen tussenkomst van tv-zenders meer nodig om wereldberoemd te worden; een dikkerd die in badpak danst op ‘All the Single Ladies’ van Beyoncé wordt miljoenen, miljoenen keren bekeken. Ja, de horden zijn inderdaad in opstand gekomen en precies op de manier die José Ortega y Gasset beschreef: ‘De menigte heeft zich plotseling zichtbaar gemaakt, zij heeft plaats genomen in de voornaamste zetels van de maatschappij. Vroeger ging zij, zo zij bestond, ongemerkt voorbij, zij stond op de achtergrond van het maatschappelijk toneel, doch nu is zij de hoofdpersoon.’ Dat noteerde de misantropische Spaanse filosoof in 1930, toen er alleen nog maar radio bestond en geen tv, laat staan internet.

Vanwaar die belangstelling voor gewone mensen? Is authenticiteit in de geregisseerde wereld van de massamedia zo’n kostbaar erts geworden dat alle tv-zenders ernaar delven? Was het maar zo. Het hele eiereneten van ‘Big Brother’, ‘De Gouden Kooi’ en alle talentenprogramma’s nadien is juist dat gewone mensen worden voorgesteld als búítengewoon. Mensen die aardig kunnen zingen of dansen worden voor ‘Holland’s Got Talent’ tussen de schuifdeuren vandaan getrokken en van alle spontaniteit ontdaan met een total makeover, om als sterren verder te gaan. Door alle aandacht lijken ze ook eventjes haast echte sterren. Maar het volgende seizoen zijn ze al weer vergeten en worden weer nieuwe Ruuds, Jamais en Japen, jongleurs, rolstoeldansers en operazangers tijdelijk superster.
Achter die spotlights gaat geen belangstelling schuil maar een genadeloze economische drijfveer. Gewone mensen die zich gedragen als sterren zijn voor tv-zenders domweg goedkoper dan echte sterren en ze trekken evenveel kijkers.

Er is nog een andere vorm van gewonemensenexploitatie. Minder cynisch. Dat is de categorie van ‘Showroom’, Pretpark Nederland en aanverwanten. Misschien is documentairemaker Bert Haanstra in Nederland wel de uitvinder geweest van deze vorm van belangstelling voor het volkse. Met een houding die het midden hield tussen sympathie en dedain keek Haanstra in films als Alleman en Zoo naar het alledaagse leven. De sympathie sprak uit de aandacht, het dedain vooral uit de montage die niet was bedoeld om de gefilmde mensen beter te laten uitkomen, maar om het publiek te laten lachen of een brok in de keel te geven. De gewone mensen die in deze films optreden komen maar zelden aan het woord en als ze spreken, dan zijn hun verhalen strikt functioneel voor wat de regisseur van ze wil horen. Film maken als boodschappen doen; de maker komt halen wat op zijn lijstje staat, al het andere valt op de vloer naast de montagetafel. Ziedaar het essentiële verschil met de films van Hans Heijnen. Het werk van Heijnen is gebaseerd op pure interesse voor de mensen voor de camera. Soms zelfs meer interesse dan voor het publiek interessant is. Willen we weten welke tv-programma’s Frans de Bruyn bekijkt? Dat brillen er helemaal uit gaan, volgens Alois Rottier? (‘Ze slijpen je ogen.’) Dat een vogelaar in Itteren al jaren geen goeie merel meer heeft gehoord? Of dat een bejaarde in Sun City West, Arizona, zijn moeder mist? Maar het gaat er niet om of het óns interesseert; het interesseert henzelf en daarom interesseert het ook Hans Heijnen. Zijn films gaan over hen, niet over hem.

Gewonere mensen dan die in de films van Heijnen bestaan er niet. Ze dragen truien en bloezen met motieven die geen normaal mensen zou uitkiezen, maar die de drager ervan onmiddellijk bestempelen tot gewoon mens. Je ziet vrouwen met permanentjes en slecht zittende pruiken. Mannen met petten en rammelende gebitten. Heijnen filmt vrijwilligsters, fans, boeren, kerkgangers, uitvreters, krantenbezorgers, werklozen, kosters, cafébazen, harmoniespelers, handelaren, onrendabelen. Geen van zijn personages spreekt de r uit als een w of de ij als aai – volgens het ABN van de moderne gewone man op tv – maar verder hebben ze alle onverstaanbare accenten die Nederland rijk is. Alle films van Hans Heijnen moeten dan ook worden ondertiteld. Heijnens lievelingsshot is dat van een wat kromgetrokken oudere die met een stok loopt over een onbestemd stukje weg van niets naar nergens. Zulke shots komen in vrijwel al zijn films voor. Paar iele boompjes erachter. Of wat nevelslierten tussen twee rijen nieuwbouwhuizen. Op de achtergrond lopen dieren of stapt iemand op de fiets. De gewone mensen van Heijnen doen louter gewone dingen. Ze lappen de ramen. Ze voeren de dieren. Ze vegen de stoep en hangen de was op. Ze drinken koffie, ze gaan naar de wc en ze kijken tv. Als ze muziek maken is het in een koor of in een harmonie. Als ze dansen is het in een café met ruw bakstenen muren. (Alleen de film The Show Must Go On is daarop een uitzondering, maar dat is omdat die in de Amerika is opgenomen en glitterpakken in bejaardenstad Sun City West even normaal zijn als vale regenjassen in Nederland.) En wat eten die gewone mensen van Heijnen gewoon! Pannen op tafel. Boterhammen met worst die zonder veel ceremonieel naar binnen worden gewerkt. Er is een man die het brood in plukjes in zijn mond stopt, alsof hij eendjes voert (in De Waterwolf van Itteren). Er is een boer die reuzel op zijn brood smeert (Het Geheim van Ossenisse II). Een platenproducent die een stroopwafel neemt; zijn mond staat al halfopen en hij steekt zijn natte tong er alvast naar uit, maar hij blijft ook steeds doorpraten en het koekje gaat nooit naar binnen (Johnny Hoes, Och Was Ik Maar…). De mooiste eetscène zit in een film die niet is opgenomen in deze collectie, Vrekken. Een van de geportretteerde zuinigerds eet voor tien cent per avond, zegt hij tevreden. Jaren geleden kocht hij voor 175 gulden een container met 125 kilo vogelvoer. Sindsdien weekt hij elke dag de granen, zaden en erwten die daarin zitten, hij kookt ze tot een pap en lepelt die zonder een spier te vertrekken naar binnen. De smaak went, zegt hij tegen de filmmaker. Je zou bij alle berichten over grootverdieners en graaiers in de laatste jaren bijna vergeten dat zuinigheid ooit dé internationale typering van de Nederlander was. Kijk naar de films van Heijnen en je ziet het cliché in volle glorie terug. Mannen die niks, nog geen kartonnen doos kunnen weggooien. ‘Ik spaar overal op,’ zegt Frans de Bruyn in Het Geheim van Ossenisse als hij trots heeft verteld dat zijn hele keuken bij mekaar 350 gulden heeft gekost. Niet alleen door die guldens in plaats van euro’s geven Heijnens films je steeds het gevoel dat je wordt teruggeflitst naar een Nederland van Ooit. Een Nederland met overal nog boeren, zoals de kromme Fons die met schorre kreten maiskolven aan zijn ganzen voert op een modderig stuk erf. Een Nederland zonder immigranten, of het moest die meneer Pradhan zijn die een jaartje in Schoonrewoerd heeft gewoond en altijd zo beleefd was: ‘Je kon aardig met hem praten ondanks dat hij Nepalees was’, zegt een dorpeling. ‘Je hoefde er niet angstig voor te zijn.’ (Lekker Weertje, Mijnheer Pradhan)

Een Nederland dat alleen in de herinnering bestaat en van herinneringen vervuld is. De hoofdpersonen zien het zelf ook. In hun hoofd zitten ze nog in een wereld die al bijna verdwenen is. ‘Misschien heb je dat weleens gehoord’, peinst landbouwer-in-ruste Fons van den Berghen uit Ossenisse hardop. ‘Vroeger wouden de vrouwen een mooi helder gezicht behouden. Die wouden niet bruin worden. Nu willen ze expres bruin worden. Nou is alles anders.’ Het oude Nederland, met de folklore van het fanfareorkest, met de eeuwenoude handelsgeest à la platenproducent Johnny Hoes (de artiesten gingen ‘als wolven zijn kantoor in en kwamen er als schapen weer uit’) en met de muziek van accordeons en tuba’s, dat is de jachtgrond van Hans Heijnen. In een interview in Trouw zei hij: ‘Ik ben opgegroeid in het Limburgse Bunde bij Maastricht en denk daar nog altijd met weemoed aan terug. Leven in zo’n kleine gemeenschap geeft een veilig gevoel.’ Die weemoed heeft hij gemeen met zijn oom Frank, die hij in Californië opzocht en terugvond in een Cadillac met een Limburg-sticker op de kofferbak en volksmuziek uit de cassettespeler. En nou is alles anders.

In zijn gefilmde pamflet 10 on Ten maakt de Iraanse regisseur Abbas Kiarostami een statement over de interesse die de filmmaker verschuldigd is aan zijn onderwerp. Hij zingt uitvoerig de lof van de handycam, als zuiverste instrument om de werkelijkheid vast te leggen. Aan het slot van de film richt Kiarostami zijn cameraatje omlaag. Op de grond lopen mieren rond een gat in de grond. Hij zoomt in en volgt die ene met het blaadje, de ander met een takje. Niet het onderwerp maar de mate van aandacht maakt het gefilmde de moeite waard. Aan het slot van Het Geheim van Ossenisse, misschien wel Heijnens mooiste film, klinkt de stem van een predikant. ‘Misschien hoef je het niet te zoeken in het bijzondere en het aparte,’ zegt de predikant. ‘Het zit hem in de liefde voor die mens naast ons. Die mens van alledag. Het zit hem in de bewogenheid voor het geheim dat de ander in zich heeft.’ De woorden van de predikant laten zich moeiteloos verstaan als de geloofsbelijdenis van de filmmaker. Onder de oppervlakte van het alledaagse broeien de geheimen. Zoals het verschil tussen het geluid van de bokken en dat van de geiten. Of de verloren liefdes van kosteres. Of de rotsvaste geloofsovertuiging van de Schoonrewoerdse mevrouw die foto’s van de familie van meneer Pradhan ziet. ‘Heel eigenaardig hè’, zegt ze, terwijl ze de foto van een godsdienstig bekijkt. ‘Eigenaardig geloof. Toch is het niet goed hoor.’ Nee, vraagt meneer Pradhan vriendelijk. Nee, zegt de vrouw. Waarom, vraagt meneer Pradhan. Daarom, zegt de vrouw. ‘Dat doen wij toch veel anders.’

Zulke geheimen te horen, dat is waarom Heijnen filmt. Dat is waarom zijn films allemaal tot het einde toe moeten worden gezien en gehoord. Hij gebruikt eenvoudige filmische middelen om ze te presenteren. Basale montagetrucs: we horen bewoners van Thorn praten over de rivaliteit tussen twee fanfares, de ene noemen zich bokken, de andere geiten. Dan zien we een paar shots van borden en tekeningen van bokken of geiten. En ten slotte maakt hij een rijdertje langs de rijtjeshuizen. Dat laatste op zichzelf betekenisloze shot is geladen met betekenis door het voorgaande. Net zoals de totale shots van dorpjes, rivieren en heuvels dat zijn. De suggestie van Geheimen borrelt op uit voorafgaande gesprekken. Maar alle shots, hoe verrukkelijk soms ook, zijn niet meer dan excuses voor de interviews. Want de geheimen van Thorn (Bokken en Geiten), Itteren en Ossenisse zitten niet in de beelden, maar in de verhalen. Hoe komt een filmmaker achter die geheimen? Collega-filmmakers van Heijnen zijn weleens jaloers. Soms schudden ze hun hoofd over het geluk dat-ie met bepaalde scènes moet hebben gehad. Dan hebben ze het over dat ene shot van een Zeeuws straatje in een sneeuwregen, waar ineens vier indianen met verentooi in beeld komen wandelen – carnaval. Of over die travelling waarbij Casper Machielse met zijn vrouw door een nevelig straatje wandelt, hij te voet, zij in haar elektrische rolstoel – alle lijdzaamheid en veerkracht van gewone mensen zitten daarin. Maar wat ze eigenlijk bedoelen is: hoe krijgt die Limburger met zijn zachte g altijd de prachtigste verhalen uit zijn mensen naar boven? Hoe boort hij zich naar die inderdaad zeldzame delfstof, authenticiteit? Het antwoord zit in de meest ontroerende scène van Het Geheim van Ossenisse. Fons van den Berghen, landbouwer in ruste, kromgegroeid van het sjouwen, vertelt over die ene vrouw die even in zijn leven is geweest. Ze had altijd tienen gehaald op school. Ze kon goed koken. Ze was niet groot. En ze was gescheiden, reden waarom Fons niet langer met haar mocht omgaan van zijn broer, pastoor in België. ‘Hoe zag ze eruit’, vraagt Hans Heijnen. ‘Als u heel veel geduld heeft kan ik u wel een foto van haar laten kijken,’ zegt Fons van den Berghen. Hij moet zoeken op zolder en even later komt hij terug, zijn intens lieve gezicht is nog een tint treuriger dan anders. Hij legt vier foto’s op tafel, met een prachtige, stralende vrouw erop. De vrouw die hij niet mocht houden van zijn broer. Goed dat Hans Heijnen geduld had.

Hans Heijnen Filmmaker | Mail: heijnenfilms@planet.nl
Groenestraat 72 - 6531 HS Nijmegen