Login

Recensies

Hans Heijnen – Chroniqueur van Lief en Leed tussen Traditie en Transformatie door Bert Hogenkamp

Bert Hogenkamp uit boek bij DVD Box Hans Heijnen in Focus 2010 over

door Bert Hogenkamp

Op de slotavond van het Nederlands Film Festival 1996 in de Utrechtse Jaarbeurs had de jury een verrassing in petto. Hoewel de drie films die Hans Heijnen had ingezonden niet waren genomineerd, had ze toch besloten een Speciale Juryprijs aan hem toe te kennen.

De filmmaker mocht een Gouden Kalf in ontvangst nemen. Het juryrapport bulkte van de superlatieven: ‘constante kwaliteit’, ‘grote persoonlijke betrokkenheid’, ‘authentieke ontroering zonder effectbejag’, ‘toegankelijk voor een groot publiek’ en ‘artistieke integriteit’. De drie films in kwestie waren Strike Out, Uncle Frank en De Waterwolf van Itteren. Ze geven een goed idee van de thema’s waar Hans Heijnen door wordt geboeid. Strike Out (1996) gaat over de Antilliaanse honkballer Judsel Baranco, die ooit het grootste talent van zijn generatie was maar compleet aan lagerwal raakte en naar Curaçao terugkeerde. In Uncle Frank (1996) schetst Heijnen een portret van zijn oom die naar de Verenigde Staten is geëmigreerd maar zijn Limburgse wortels niet is vergeten. In De Waterwolf van Itteren (1996) staan de bewoners van een aan de Maas gelegen dorp centraal. Het individu, de kleine gemeenschap, de Limburgse roots – het zijn thema’s die steeds weer opduiken in het werk van Heijnen, zelfs als zijn films schijnbaar over iets anders gaan, zoals geloof, sport of muziek.

In een van zijn eerste films Lekker Weertje, Mijnheer Pradhan! (1989) volgt Heijnen de uit Nepal afkomstige antropoloog Rajendra Pradhan die in het Zuid-Hollandse dorp Schoonrewoerd is neergestreken om de Nederlandse bejaardenzorg te bestuderen. Uit de film wordt duidelijk dat de dorpelingen hem − ook al heeft hij een doorzonwoning betrokken en gebruikt hij de fiets als vervoermiddel − evenzeer als studieobject zien als hij hen. Want Schoonrewoerd mag dan op het eerste gezicht een rustig plattelandsdorp zijn, er wordt heel wat afgeroddeld en vanachter de gordijnen gegluurd. Er zit een mooie scène in de film, waarin een bejaarde vrouw met Pradhan over religie praat. Als vanzelfsprekend beschouwt ze haar calvinistische geloof superieur aan dat van hem, maar om vervolgens te moeten uitleggen dat er verschillende gereformeerde stromingen zijn die op voet van oorlog met elkaar staan, kost haar zichtbaar moeite. Wat Pradhan het meest opvalt is de ordening: ‘Het leven is hier zo geregeld. Alles heeft zijn tijd en zijn plek. De natuur, het sociale leven en zelfs de persoonlijke emoties zijn geordend.’ Symbolisch voor die ordening is de avond waarop Pradhan afscheid neemt van de dorpelingen. Tevoren krijgt hij stricte instructies over wat hij wel en niet moet doen. Alleen al door de hoofdpersoon – een antropoloog uit de ‘derde wereld’ die naar Europa gaat voor veldonderzoek – trok Lekker Weertje, Mijnheer Pradhan! internationaal de aandacht. De film, die door de NOS werd gefinancierd, was onder meer op het Margaret Mead Film Festival in New York te zien.

Met Rockin’ Ramona (1991) en Ga met Mij Mee naar Hawaii (1994) leverde Hans Heijnen twee muziekfilms af die tot de verbeelding spraken. Rockin’ Ramona was gebaseerd op het gelijknamige boek van Lutgard Mutsaers over de indorock, popmuziek die eind jaren vijftig en begin jaren zestig gespeeld werd door Indische Nederlanders en die zelfs over de grenzen, in Duitsland, enorm populair was. Liveoptredens van groepen die nog steeds actief zijn worden afgewisseld met archiefopnamen en gesprekken. Ook in deze film staat de gemeenschap − de musici en hun fans – centraal, alleen is deze niet locatiegebonden. Maar ook het individu dat zich buiten die gemeenschap heeft geplaatst, krijgt de aandacht van Heijnen. Het gaat om de legendarische gitarist Andy Tielman die naar Australië is geëmigreerd waar hij zich met zijn mooie, jonge vriendin heeft teruggetrokken in een schijnbaar paradijselijke omgeving. De Hawaiiaanse liedjes die het onderwerp van vormen van Ga met Mij Mee naar Hawaii refereren veelvuldig aan zo’n paradijselijke wereld. Maar deze film laat juist zien dat de slinkende gemeenschap van liefhebbers van deze muziek − die vooral tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog grote populariteit genoot – door haat en nijd is verziekt. Voor buitenstaanders volstrekt futiele meningsverschillen zijn een eigen leven gaan leiden, met als resultaat dat de betrokkenen elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Mooi detail: de ruziënde liefhebbers van Hawaiiaanse muziek blijken zelf nooit in Hawai geweest te zijn. Wie dacht dat Heijnen de situatie misschien te gechargeerd had voorgesteld, moet de ingezonden brieven die naar aanleiding van de vertoning van Ga met Mij Mee naar Hawaii op televisie in de VPRO Gids werden gepubliceerd nog maar eens doornemen. De verbittering druipt ervan af.

Uit een plan voor een serie documentaires over de vergrijzing van het platteland, groeide de tweedelige film over Ossenisse, een katholiek dorp met tweehonderd inwoners in Zeeuws-Vlaanderen. Zelf opgegroeid in het Limburgse dorpje Bunde, kwam veel in Ossenisse Heijnen bekend voor. Met een directe verwijzing naar de populaire Amerikaanse televisieserie die bol stond van de heftige emoties, gaf hij het eerste deel van Het Geheim van Ossenisse (1995) de ondertitel ‘Dallas in Zeeuws-Vlaanderen’. Inderdaad gaat achter de plattelandsidylle veel haat en nijd schuil. Het dorp kent twee inofficiële burgemeesters − beiden import – met hun eigen aanhang. Een Vlaming is voorzitter van de dorpsraad die het parochiehuis als hoofdkwartier heeft, terwijl een Twentenaar het plaatselijke café bestiert. Het meest uitgesproken oordeel komt van een andere buitenstaander, een uit Rotterdam afkomstige Jehova’s getuige die Ossenisse ‘Joegoslavië in het klein’ noemt. ‘Alleen hebben ze hier nog geen wapens,’ voegt ze eraan toe. Die hebben ze wel degelijk, laat Heijnen zien, maar de geweren worden alleen voor de jacht op kleinwild gebruikt. Het tweede deel heeft als ondertitel ‘De Oudstochtonen’ en biedt een kijkje in het leven van drie oudere alleenstaande dorpelingen. Zoals de kosteres die niet boven haar stand mocht trouwen, thuis bleef wonen om haar ouders te verzorgen en nu in de kerk haar grote liefde heeft gevonden. En dan is er Fons, wiens avondmaal bestaat uit boterhammen met reuzel en die geen televisie in huis wil hebben. Als er iets belangrijks op te zien is geweest hoort hij dat wel van zijn dorpsgenoot Frans, die volgens Fons een televisiejunkie is. Opvallend is hoe open de drie ‘oudstochtonen’ zich opstellen terwijl de camera loopt, wat ongetwijfeld een verdienste van Heijnen is. Het beeld dat uit Het Geheim van Ossenisse naar voren komt is dat van een dorpsgemeenschap die weliswaar rust en geborgenheid biedt maar waarvoor wel een prijs moet worden betaald: dwingende sociale controle, compleet met roddel en achterklap.

Naar het thema van de dorpsgemeenschap is Heijnen in verschillende van zijn latere documentaires teruggekeerd. Net als bij Ossenisse had hij het gevoel dat zijn jeugdervaringen hem van pas kwamen bij het filmen in de rooms-katholieke Limburgse gemeenschappen Itteren (De Waterwolf van Itteren, 1996) en Thorn (Bokken en Geiten, 2000) maar dat kon niet gezegd worden van het Amerikaanse bejaardendorp Sun City West (The Show Must Go On, 2003) of het orthodox-protestantse Urk (De Duivel is Slim, 2005).
De Waterwolf van Itteren is een portret van een dorp in verandering. Symbool daarvan is de muur die gebouwd wordt om ‘de waterwolf’ (het water van de Maas) buiten de deur te houden. Door de film heen zijn de smeuïge verhalen te horen van de nog vitale bijna-tachtiger Sjoke Bronckers die vroeger krantenbezorger was. Op de vraag of hij in de hemel komt, antwoordt hij: ‘Ik speld Petrus iets op de mouw en dan kom ik langs ‘n omweg toch in de hemel.’ Omdat het ook het thema was van de Nederlandse speelfilmklassieker Fanfare (Bert Haanstra, 1958), trok Bokken en Geiten over de concurrentiestrijd tussen twee plaatselijke harmonieorkesten in Thorn − de Koninklijke Harmonie (Bokken) en de Kerkelijke Harmonie St. Michaël (Geiten) − de nodige aandacht. Toen het Nederlands Film Festival hem uitnodigde zijn favoriete film te presenteren, koos SP-leider Jan Marijnissen zelfs voor deze documentaire. In tegenstelling tot Haanstra eindigt Heijnen niet met een verzoening van beide kampen. Maar hij laat wel zien dat de twee orkesten bewust uit elkaars vaarwater proberen te blijven om zo een escalatie van emoties te vermijden.

In De Duivel is Slim volgt Heijnen drie Urker vissers en de eigenaar van een visverwerkingsbedrijf met zijn gezin. Ze laten hun leven sterk leiden door een en dezelfde Bijbel maar toch behoren ze tot verschillende afgesplitste geloofsgemeenten, elk met een eigen kerk. De angst voor de wereldse verleidingen bepaalt hun leven dat ook fysiek niet makkelijk is, maar waarbij ze steeds kunnen terugvallen op de hechte vissersgemeenschap. Opmerkelijk is de vertrouwensrelatie die de Limburger Heijnen met de betrokkenen wist op te bouwen. Datzelfde gold ook bij de Amerikaanse bejaarden in Sun City West, een speciaal voor hen gecreëerde leefgemeenschap in de woestijn van Arizona, waar ze hun eigen politiepatrouilles uitvoeren en zich kunnen uitleven in hobby’s als golf, tennis, zwemmen en tapdansen. De repetities voor de jaarlijkse variety show vormen de rode draad in The Show Must Go On. Gaande de film krijg je als kijker steeds meer bewondering voor de vitaliteit van de inwoners van deze Disneyachtige gemeenschap, zonder dat overigens de schaduwzijden, zoals de eenzaamheid, vergeten worden.

Er zijn talloze markante individuen te vinden in de films van Heijnen. Hun authenticiteit maakt grote indruk. Eigenlijk steken bekende personen als Rex Gildo, George Sluizer en Johnny Hoes − in de filmportretten Rex Gildo, de Val van een Schlagerkoning (2002), George Sluizer, Filmen over Grenzen (2006) en Johnny Hoes, Och Was Ik Maar… (2008) − een beetje bleekjes af bij de onbekenden die de kijker dankzij Heijnen leert kennen. Zoals zijn oom Frans en tante Tini in Uncle Frank. Ze zijn emigranten die in de jaren vijftig in Californië zijn neergestreken maar echte Limburgers zijn gebleven. Alleen al hun taalgebruik, Limburgs dialect doorspekt met Engelse woordjes, is vertederend. Op de droomauto van oom Frans, een joekel van een Cadillac, zit een sticker met het woord ‘Limburg’. Hun kennissen zijn net als zij Limburgers, met wie ze toepen en naar Toon Hermans kijken. Uncle Frank laat zien hoeveel moeite en zelfs pijn inburgering kost.

Ook alleen zijn doet pijn, zoals de protagonisten in Lisdoonvarna, Lourdes of Love (1998) duidelijk maken. Lisdoonvarna is een plaatsje in het westen van Ierland, waar elk jaar in september een ‘Matchmaking Festival’ plaatsvindt dat vrijgezellen de gelegenheid biedt om een partner te vinden. In de film worden drie mannen − een steenhouwer, een veeboer en een tuinman/musicus − die op zoek zijn naar een vrouw, en de eigenaar van een pub die als ‘matchmaker’ optreedt, gevolgd. De drie vrijgezellen vertellen openhartig over hun leven, mislukte liefdes en vlucht in de alcohol. Dankzij een verborgen microfoontje zijn de ontmoetingen die de steenhouwer Mihal tijdens het Festival heeft, letterlijk te volgen. Net als veeboer Paddy treft hij een vrouw met wie hij verder een relatie hoopt op te bouwen. Als Heijnen na enkele maanden terugkeert, blijkt echter dat de twee mannen geen vervolg hebben weten te geven aan deze prille aanzet. Daarentegen is bij de melancholieke Jamesie – die niet eens zo nodig een vrouw moest vinden – de jonge Duitse Sabine ingetrokken. Mihal berust in de situatie maar heeft nog wel een paar filosofische overwegingen in petto: ‘Een relatie is slechts een relatie. Een thuis is een gezin. Een huis is slechts ’n gebouw’.

Lisdoonvarna laat prachtig zien wat de kracht van filmmaker Hans Heijnen is. Hij weet de mensen in zijn films zo op hun gemak te stellen dat ze als het ware hun ziel blootleggen. Als kijker wil je nog veel meer over hen weten, bijvoorbeeld hoe het verder met hen gaat. Geen wonder dat er van twee titels, Het Geheim van Ossenisse en Lisdoonvarna, ‘revisited’ films gemaakt zijn. Heijnen keerde tien jaar later naar Ossenisse terug voor een derde deel van Het Geheim, ‘De Nieuwe Tijd’ (2004). Daarin staat hij stil bij de veranderingen die in het dorp hebben plaatsgevonden sinds zijn eerdere bezoek. Ook Lisdoonvarna heeft zijn eigen ‘revisited’ − zonder dat Hans Heijnen deze ooit te zien kreeg trouwens − met Lisdoonviagra (2009), een film die de Belgische fotografe Lieve Blancquaert voor de Vlaamse televisiezender Canvas maakte. De titel is een verwijzing naar de sterk gestegen leeftijd van de bezoekers van het Matchmaking Festival. Het blauwe pilletje is niet de enige vernieuwing in het ‘Lourdes of Love’. Zo organiseert de zoon van de matchmaker tegenwoordig ‘speeddates’. Intussen is Hans Heijnen niet blijven stilstaan. Met De Onrendabelen (2009) heeft hij de positie van de sociaal zwakkeren in de samenleving aan de orde gesteld en zo de begrippen ‘individu’ en ‘gemeenschap’ een nieuwe lading gegeven. Maar wat ook in deze film is gebleven, is de authenticiteit van zijn protagonisten. Dat had de Gouden Kalf-jury in 1996 goed gezien.

Hans Heijnen Filmmaker | Mail: heijnenfilms@planet.nl
Groenestraat 72 - 6531 HS Nijmegen